Inleiding

Inleiding
De richtlijn

De richtlijn is disciplineneutraal van opzet. Wie verantwoordelijkheid draagt voor welk gedeelte van de suïcidepreventie is afhankelijk van de organisatie van de zorg, taakomschrijvingen en werkafspraken.

Risicotaxatie instrument

Er bestaat geen risicotaxatie instrument, waarmee de waarschijnlijkheid van een suïcide in een individueel geval precies is aan te geven. Men is voor het schatten van het risico dus aangewezen op een zorgvuldig klinisch oordeel.

Cijfers suïcide en recidive

Van alle suïcidepogers recidiveert minstens 40 procent, en van alle suïcidepogers komt 10 procent om het leven. Personen die door suïcide overlijden blijken in 90% van de gevallen een of meerdere psychiatrische aandoeningen te hebben (APA 2003). Suïcide bij kinderen voor de puberteit is zeldzaam.

Definitie en model ontstaan

Deze richtlijn behandelt gedrag dat verband houdt met de intentie om dood te gaan, waaronder gedachten aan suïcide, fantasieën over suïcide, plannen maken om een suïcidepoging te doen, en het doen van een suïcidepoging, hoe ambivalent dit ook is. Daarbij is inbegrepen zelfbeschadigend en/of risicovol gedrag waarbij de persoon de kans loopt te overlijden, of het risico van overlijden niet uit de weg gaat.

De intentie van suïcidaal gedrag is niet altijd eenduidig vast te stellen en kan variëren in de tijd: op het ene moment kan iemand dood willen, op een volgend moment niet meer. Naast een intentie om dood te gaan, is er vaak een intentie om te leven.

Motieven voor suïcidaal gedrag kunnen sterk uiteenlopen. Het kan gaan om een uitgesproken wens om te sterven, een gevoel of overtuiging het leven niet langer aan te kunnen of niet meer te willen leven, een behoefte om te ontsnappen uit een situatie die de persoon als ondraaglijk ervaart, of om het denken te stoppen. Soms is suïcidaal gedrag een uiting van de behoefte om anderen iets duidelijk te maken. Suïcidaal gedrag kan ook impulsief en zonder veel voorafgaand overwegen optreden. Een patiënt heeft niet altijd een vrije keus in zijn gerichtheid op dood en sterven. Niet zelden is er sprake van een wanhoopsdaad, een onvrije keuze waarbij de patiënt zich gedreven voelt door de omstandigheden en/of door onmacht. Elke vorm van suïcidaal gedrag is geassocieerd met een verhoogd risico op suïcide. Professionals die met suïcidaal gedrag worden geconfronteerd, moeten het gedrag hoe ambivalent of ogenschijnlijk onschuldig ook serieus nemen. Weeg altijd af of medisch handelen geïndiceerd is.

Model van stress, kwetsbaarheid en
entrapment

Het complex van biologische, psychologische en sociale factoren dat tot suicidaliteit kan leiden kan geordend worden in een geïntegreerd model voor van stress-kwetsbaarheid (Goldney, 2008) en entrapment (Williams et al., 2005), weergegeven in de figuur hieronder.

Inleiding
De richtlijn

De richtlijn is disciplineneutraal van opzet. Wie verantwoordelijkheid draagt voor welk gedeelte van de suïcidepreventie is afhankelijk van de organisatie van de zorg, taakomschrijvingen en werkafspraken.

Risicotaxatie instrument

Er bestaat geen risicotaxatie instrument, waarmee de waarschijnlijkheid van een suïcide in een individueel geval precies is aan te geven. Men is voor het schatten van het risico dus aangewezen op een zorgvuldig klinisch oordeel.

Cijfers suïcide en recidive

Van alle suïcidepogers recidiveert minstens 40 procent, en van alle suïcidepogers komt 10 procent om het leven. Personen die door suïcide overlijden blijken in 90% van de gevallen een of meerdere psychiatrische aandoeningen te hebben (APA 2003). Suïcide bij kinderen voor de puberteit is zeldzaam.

Definitie en model ontstaan

Deze richtlijn behandelt gedrag dat verband houdt met de intentie om dood te gaan, waaronder gedachten aan suïcide, fantasieën over suïcide, plannen maken om een suïcidepoging te doen, en het doen van een suïcidepoging, hoe ambivalent dit ook is. Daarbij is inbegrepen zelfbeschadigend en/of risicovol gedrag waarbij de persoon de kans loopt te overlijden, of het risico van overlijden niet uit de weg gaat.

De intentie van suïcidaal gedrag is niet altijd eenduidig vast te stellen en kan variëren in de tijd: op het ene moment kan iemand dood willen, op een volgend moment niet meer. Naast een intentie om dood te gaan, is er vaak een intentie om te leven.

Motieven voor suïcidaal gedrag kunnen sterk uiteenlopen. Het kan gaan om een uitgesproken wens om te sterven, een gevoel of overtuiging het leven niet langer aan te kunnen of niet meer te willen leven, een behoefte om te ontsnappen uit een situatie die de persoon als ondraaglijk ervaart, of om het denken te stoppen. Soms is suïcidaal gedrag een uiting van de behoefte om anderen iets duidelijk te maken. Suïcidaal gedrag kan ook impulsief en zonder veel voorafgaand overwegen optreden. Een patiënt heeft niet altijd een vrije keus in zijn gerichtheid op dood en sterven. Niet zelden is er sprake van een wanhoopsdaad, een onvrije keuze waarbij de patiënt zich gedreven voelt door de omstandigheden en/of door onmacht. Elke vorm van suïcidaal gedrag is geassocieerd met een verhoogd risico op suïcide. Professionals die met suïcidaal gedrag worden geconfronteerd, moeten het gedrag hoe ambivalent of ogenschijnlijk onschuldig ook serieus nemen. Weeg altijd af of medisch handelen geïndiceerd is.

Model van stress, kwetsbaarheid en
entrapment

Het complex van biologische, psychologische en sociale factoren dat tot suicidaliteit kan leiden kan geordend worden in een geïntegreerd model voor van stress-kwetsbaarheid (Goldney, 2008) en entrapment (Williams et al., 2005), weergegeven in de figuur hieronder.