Inleiding van de bevalling

Inleiding van de
bevalling
Inleiding

Bij een inleiding wordt de bevalling  kunstmatig op gang gebracht. Dit gebeurt met medicijnen die de weeën  opwekken. Een inleiding vindt altijd plaats in het ziekenhuis onder verantwoordelijkheid van een medisch verloskundige of een gynaecoloog.

In het WKZ Geboortecentrum word je voor een  inleiding verwacht op de verloskamers op de tweede etage in het WKZ,  bouwdeel E2. Op de afgesproken dag bel je om 7.00 uur met het  verloscentrum (088 75 589 10). Je hoort dan of er daadwerkelijk een  verloskamer beschikbaar is. De standaard opnametijd is 8.00 uur.

Om te beoordelen of het mogelijk is de  bevalling op gang te brengen, doet de gynaecoloog of verloskundige een  inwendig onderzoek. Vaak gebeurt dit op de polikliniek. Je kunt op de  dag van de inleiding dezelfde spullen meenemen als bij een gewone  bevalling. Zie daarvoor de brochure "Wanneer contact opnemen en wat  neemt je mee voor de bevalling ". Neem ook een boek, laptop of ander  tijdverdrijf mee. De weeën laten soms enige tijd op zich wachten en  afleiding kan dan plezierig zijn.

Bij een inleiding worden de weeën op gang  gebracht en controleren we continue de conditie van je kind. De weeën  kunnen alleen op gang worden gebracht bij een ‘rijpe ’ baarmoedermond.  (zie hoofdstuk, wanneer is een inleiding mogelijk?)

Redenen waarom een bevalling ingeleid
wordt

De gynaecoloog adviseert een inleiding als hij  of zij verwacht dat de situatie voor je kind buiten de baarmoeder  gunstiger zal zijn dan daarbinnen. De bevalling wordt opgewekt op een  tijdstip dat de conditie van je kind goed genoeg is om een normale  bevalling te doorstaan. Ook kan een reden zijn dat je zelf ziek bent en  het beter is de zwangerschap in te leiden zodat een verdere  verslechtering van je je conditie wordt voorkomen.

Wanneer je ‘over tijd bent’
Als je twee weken na de uitgerekende datum  niet bevallen bent, spreekt we van ‘over tijd’ zijn. Je bent dan 42  weken of langer zwanger. De medische term hiervoor is serotiniteit.  Vanaf 41 weken zwangerschap  worden jij u en je kind extra gecontroleerd  door de gynaecoloog en wordt met je besproken of en wanneer je in  aanmerking komt voor een inleiding. De gynaecoloog beoordeelt o.a. de  hoeveelheid vruchtwater door middel van echoscopisch onderzoek en er  wordt een CTG (cardiotocogram) gemaakt;, een registratie van de  harttonen van de baby. Als uit deze onderzoeken blijkt dat de conditie  van het kind achteruitgaat, kan de gynaecoloog adviseren de bevalling in  te leiden.

Langdurig gebroken vliezen
Het breken van de vliezen kan het eerste teken  zijn van het begin van de bevalling. Als de vliezen langer dan 24 uur  gebroken zijn, spreken we van langdurig gebroken vliezen. De bevalling  kan alsnog uit zichzelf op gang komen. De bevalling vindt plaats in het  ziekenhuis omdat er meer kans op een infectie bestaat. Als de vliezen  langer dan drie dagen gebroken zijn bij een voldragen zwangerschap, is  er weinig kans dat de weeën nog spontaan op gang komen. De gynaecoloog  adviseert meestal een inleiding tussen 24 uur en drie dagen na het  breken van de vliezen. Als de vliezen voor de 37e zwangerschapsweek  breken, wachten we vaak langer met een inleiding zolang er geen tekenen  van infectie zijn.

Groeivertraging van de baby
Als de verloskundige of gynaecoloog vindt dat  je baby minder goed groeit, onderzoeken we met een echo of dit inderdaad  zo is. Ook weinig vruchtwater kan duiden op een klein of te klein kind.  Regelmatige echo’s kunnen informatie geven over de verdere groei van  het kind. Zo nodig vindt ook controle van de conditie van het kind  plaats met een CTG. Bij onvoldoende groei of dreigende verslechtering  van de conditie van je kind, kan de gynaecoloog een inleiding adviseren.  

Achteruitgaan van de functie van de placenta
De baby krijgt voeding en zuurstof via de  placenta (moederkoek). Bij bijvoorbeeld een te hoge bloeddruk of  suikerziekte tijdens de zwangerschap kan de placenta minder goed gaan functioneren. Als het dan voor het kind beter lijkt om geboren te  worden, bespreekt de gynaecoloog een inleiding.

Andere redenen
Er zijn nog veel andere redenen om een  bevalling in te leiden. Deze kunnen te maken hebben met het verloop van  de vorige bevalling of met andere bijkomende problemen tijdens de  huidige zwangerschap. Twijfel je eraan of het echt nodig is de bevalling  in te leiden, bespreek dit dan met de gynaecoloog.

Wanneer is een inleiding mogelijk?

Een inleiding is pas mogelijk als de  baarmoedermond al een beetje open en verweekt is. Verloskundigen en  gynaecologen gebruiken hiervoor de term ‘rijpheid’. Een onrijpe  baarmoedermond is nog lang en voelt stevig aan. Dit noemt men een  ‘staande portio’ (portio is het medische woord voor baarmoedermond).  Meestal is er nog geen ontsluiting. Een rijpe baarmoedermond is over het  algemeen korter. Men spreekt dan over een ‘verstreken portio’. Deze  voelt ook weker aan en vaak is er al wat ontsluiting. In dat geval is  het mogelijk een inleiding af te spreken.

Als de baarmoedermond onrijp is
Wanneer de baarmoedermond onrijp is en er toch  een dwingende reden is om de bevalling op gang te brengen, kan de  gynaecoloog adviseren de baarmoedermond ‘rijp’ te maken. In medische  termen spreekt men dan van ‘primen’ (Engels voor voorbereiden).

Methoden om de baarmoedermond rijp te maken (Primen)
In het WKZ Geboortecentrum gebruiken we drie  manieren van primen; het inbrengen van Misoprostol®,  prostaglandine gel  en de foleycatheter.  Voordat het ‘primen’ begint wordt altijd eerst de  conditie van de baby bepaald door middel van een CTG.

Misoprostol®
Misoprostol® tabletten worden maximaal 3 keer  per dag vaginaal ingebracht met tussenpozen van minimaal 4 uur. Elke  keer voor het inbrengen wordt er een CTG gemaakt om de conditie van de  baby te beoordelen. Als na 2 dagen blijkt dat deze manier niet voldoende  resultaat heeft gebracht kan overwogen worden om een andere manier van  primen te kiezen.

Prostaglandinen
Een gel inbrengen met prostaglandinen kan dan  een volgende stap zijn. In deze gel zitten hormonen die de rijpheid van  de baarmoedermond bevorderen. De gel wordt ingebracht tijdens het  vaginale toucher (onderzoek om te voelen naar de ontsluiting).  Prostaglandinen maken niet alleen de baarmoedermond rijp, maar kunnen  ook weeën veroorzaken. Vaak ontstaan er na het inbrengen harde buiken.  Dit zijn meestal nog geen weeën. We spreken pas van weeën als er  ontsluiting ontstaat. Soms gaan de harde buiken wel over in weeën en  komt de bevalling spontaan op gang, dan is verder medisch ingrijpen vaak  niet meer nodig.

Foleycatheter
Primen met een foleycatheter  is ook een  manier om de baarmoedermond rijp te maken. Er wordt een foleycatheter  (katheterslang met een ballon dat gevuld kan worden met water)in de  baarmoedermond geplaatst. De ballon wordt gevuld met 30- 50 ml water.  Het inbrengen van een foleycatheter wordt gedaan tijdens inwendig - of  speculum onderzoek.

Na het inbrengen van de Misoprostol®, de gel  of de foleycatheter controleert de verpleegkundige de conditie van je  kind met behulp van een CTG. We vragen je na het inbrengen een uur te  blijven liggen. Zeker bij een erg onrijpe baarmoedermond is het soms  nodig de behandeling te herhalen. Wanneer je u gedurende twee dagen bent  behandeld met één van  de manieren om te primen manier, kan er besloten  worden om een rustdag te plannen om daarna weer verder te gaan om de  baarmoeder verder te  laten rijpen. Bij het primen kan er bloedverlies  optreden. Dit is niet gevaarlijk voor jou of je baby.

De bevalling

Het op gang brengen van de weeën gebeurt vaak  door middel van het breken van de vliezen bij het vaginaal toucher.  Wanneer er voldoende ontsluiting is plaatst de verloskundige of  gynaecoloog een draadje op het hoofdje van je kind. Dit draadje wordt  een schedelelektrode genoemd en hiermee kan de hartslag van je kind  gemeten worden tijdens de bevalling ook wanneer de weeën sterker worden.  Voor het breken van de vliezen brengt de verloskundige of gynaecoloog  een infuus in. Bij het prikken van een infuus wordt een ader in hand of  arm aangeprikt waarbij een dun soepel buisje wordt geplaatst, de naald  wordt verwijderd en het soepele buisje blijft achter. Via een infuus kan  vocht en medicatie worden toegediend. Via een infuuspomp krijg je het  hormoon oxytocine om de weeën op gang te brengen. De dosering gaat  stapsgewijs omhoog. Geleidelijk beginnen dan de weeën.

Controle van het kind en van de weeën
Tijdens een inleiding wordt je kind continue  gecontroleerd door middel van een CTG (Cardio Toco Grafie, de hartslag  en de weeën worden geregistreerd). Een CTG registeren kan uitwendig, via  twee elastieken banden en een geluidselektrode op de buik. Voorkeur in  het WKZ Geboortecentrum gaat uit naar inwendige registratie met een  schedelelektrode omdat je tijdens de weeën dan niet wordt gehinderd door  elastiek om je buik en de registratie van de harttonen ook tijdens  hevige weeën goed blijft gaan. Naast een schedelelektrode kan de  verloskundige of gynaecoloog een drukkatheter in de baarmoeder inbrengen  om de sterkte van de weeën te meten. Dit is een dun slangetje wat  tussen de wand van uw baarmoeder en de baby wordt geschoven. Dit wordt  gedaan tijdens een vaginaal toucher. Veelal laat de  verloskundige/gynaecoloog dit achterwege of registreert men de weeën met  een band om de buik.

Hoe gaat de bevalling verder?
Na het starten van de inleiding is het verloop  in principe hetzelfde als bij een ‘normale’ bevalling. De weeën worden langzamerhand heviger en pijnlijker. 

Over het algemeen heb je de vrijheid om de  weeën op je eigen manier op te vangen: zittend in een stoel, staand naast het bed, of liggend of zittend in bed. 

De uitdrijving (het persen) en de geboorte van  het kind en de moederkoek gaan niet anders dan bij een ‘normale’  bevalling. Hoelang de bevalling gaat duren is moeilijk te voorspellen.  Naarmate de baarmoedermond rijper is, gaat de ontsluiting vaak sneller.  Ook gaat de bevalling van een tweede of volgend kind meestal spoediger dan die van een eerste.

Zijn de ontsluitingsweeën te pijnlijk, dan kun  je om pijnstilling vragen. Tussen de het moment van je verzoek om pijnstilling en het daadwerkelijk baat hebben van de pijnstilling duurt  vaak wel een uur. Bespreek daarom op tijd je verzoek om pijnstilling met  je verloskundige of gynaecoloog. Zij kunnen je vaak ook belangrijke  adviezen geven om de weeën weer op te vangen of over de  pijnstilling.

Na de bevalling

Na de geboorte kijkt de gynaecoloog of  verloskundige je kind na. Als daar een reden voor is, doet de kinderarts  dit. Meestal kun je binnen 24 uur weer naar huis. Vaak is dit de  volgende ochtend om 10:00 uur. Soms adviseren we om langer te blijven,  zoals bij langdurig gebroken vliezen of bij suikerziekte. Jij en/of je  kind wordt dan nog één of enkele dagen in het ziekenhuis geobserveerd.  Wanneer je kind wordt opgenomen op de afdeling neonatologie  mag je 24  uur per dag je kind bezoeken in overleg met de neonatologie  verpleegkundige.   Je mag, wanneer je kind is opgenomen is, zelf nog  twee dagen na de bevalling in het ziekenhuis blijven . Dit is een  richtlijn van het WKZ Geboortecentrum. Het is verstandig om contact op  te nemen met je ziektekostenverzekeraar of deze kosten ook daadwerkelijk  door de verzekeraar vergoed worden.

Wie zijn er bij de bevalling?

Omdat er een medische reden bestaat om de  bevalling in te leiden, krijg je een medische indicatie om in het  ziekenhuis te bevallen. Over het algemeen begeleidt de arts-assistent in  opleiding tot gynaecoloog de bevalling of een medisch verloskundige. Op  het verloscentrum heeft een gynaecoloog de eindverantwoordelijkheid en  zal zonodig bij je bevalling geroepen worden door de arts- assistent of  medisch verloskundige. In het UMC Utrecht zijn er naast verpleegkundigen  ook leerling-verpleegkundigen, kraamverzorgenden of co-assistenten  (medische studenten) aanwezig. Deze zullen op de dag van de bevalling  aan je voorgesteld worden.

Risico’s en complicaties
Bij elke bevalling kunnen complicaties  optreden, of de bevalling nu wordt ingeleid of niet. We bespreken hier  een aantal complicaties die met een inleiding kunnen samenhangen.

  • langdurige bevalling: Als er begonnen wordt  met de inleiding terwijl de baarmoedermond nog niet goed rijp is,  bestaat er een grotere kans op een (zeer) langdurige bevalling. Soms  wordt er dan geen volledige ontsluiting bereikt en is een keizersnede  noodzakelijk.
  • hyperstimulatie: hierbij komen er te veel  weeën te snel achter elkaar. Als dit lang duurt kan zuurstofgebrek bij  de baby optreden. Meestal is het mogelijk hyperstimulatie te verhelpen  door de stand van de infuuspomp te verlagen. Soms is een weeën-remmend  medicijn noodzakelijk. Daardoor keren de weeën weer met normale pauzes  terug.
  • ‘sneuvelen’ van het infuus: vrouwen vinden  het vaak vervelend als er opnieuw een naaldje in de hand of in de arm  ingebracht moet worden.
  • infectie van de baarmoeder: Als de vliezen  gedurende lange tijd gebroken zijn, is er een iets groter risico op een  infectie van de baarmoeder tijdens en na de bevalling.
  • ontsteking op het hoofd van het kind: bij een  inleiding wordt er een draadje in de hoofdhuid van de baby geplaatst om  de harttonen te registreren (schedel-elektrode). Een enkele keer  ontstaat een ontsteking op de plaats waar de elektrode is geplaatst. Dit  is niet ernstig, maar wel vervelend voor je kindje.
  • verhoogd risico op een kunstverlossing? De  meeste inleidingen verlopen zonder complicaties en de risico’s van een  ingeleide bevalling zijn meestal niet groter dan die van een normale  bevalling. Wel is het noodzakelijk dat een inleiding onder goede controle en begeleiding plaatsvindt.

Tot slot een opmerking over de veelgehoorde  opvatting dat een ingeleide bevalling pijnlijker zou zijn dan een  normale bevalling. Dit is moeilijk te bewijzen, omdat geen twee  bevallingen hetzelfde zijn.

Bij elke bevalling kunnen complicaties  optreden, of de bevalling nu wordt ingeleid of niet. We bespreken hier  een aantal complicaties die met een inleiding kunnen samenhangen. 

Nuttige informatie en adressen
Heb je nog vragen naar aanleiding van deze  folder dan kun je contact opnemen met de verpleegkundigen van het  verpleegkundig -spreekuur, telefoonnummer 088 75 544 34 of met je  verloskundige/gynaecoloog. Zij zijn bereikbaar tijdens kantoortijden via  de polikliniek op telefoonnummer 088 75 540 10 of buiten kantoortijden  via het verloscentrum op telefoonnummer 088 75 589 10.  


Inleiding van de bevalling
Inleiding

Bij een inleiding wordt de bevalling  kunstmatig op gang gebracht. Dit gebeurt met medicijnen die de weeën  opwekken. Een inleiding vindt altijd plaats in het ziekenhuis onder verantwoordelijkheid van een medisch verloskundige of een gynaecoloog.

In het WKZ Geboortecentrum word je voor een  inleiding verwacht op de verloskamers op de tweede etage in het WKZ,  bouwdeel E2. Op de afgesproken dag bel je om 7.00 uur met het  verloscentrum (088 75 589 10). Je hoort dan of er daadwerkelijk een  verloskamer beschikbaar is. De standaard opnametijd is 8.00 uur.

Om te beoordelen of het mogelijk is de  bevalling op gang te brengen, doet de gynaecoloog of verloskundige een  inwendig onderzoek. Vaak gebeurt dit op de polikliniek. Je kunt op de  dag van de inleiding dezelfde spullen meenemen als bij een gewone  bevalling. Zie daarvoor de brochure "Wanneer contact opnemen en wat  neemt je mee voor de bevalling ". Neem ook een boek, laptop of ander  tijdverdrijf mee. De weeën laten soms enige tijd op zich wachten en  afleiding kan dan plezierig zijn.

Bij een inleiding worden de weeën op gang  gebracht en controleren we continue de conditie van je kind. De weeën  kunnen alleen op gang worden gebracht bij een ‘rijpe ’ baarmoedermond.  (zie hoofdstuk, wanneer is een inleiding mogelijk?)

Redenen waarom een bevalling ingeleid wordt

De gynaecoloog adviseert een inleiding als hij  of zij verwacht dat de situatie voor je kind buiten de baarmoeder  gunstiger zal zijn dan daarbinnen. De bevalling wordt opgewekt op een  tijdstip dat de conditie van je kind goed genoeg is om een normale  bevalling te doorstaan. Ook kan een reden zijn dat je zelf ziek bent en  het beter is de zwangerschap in te leiden zodat een verdere  verslechtering van je je conditie wordt voorkomen.

Wanneer je ‘over tijd bent’
Als je twee weken na de uitgerekende datum  niet bevallen bent, spreekt we van ‘over tijd’ zijn. Je bent dan 42  weken of langer zwanger. De medische term hiervoor is serotiniteit.  Vanaf 41 weken zwangerschap  worden jij u en je kind extra gecontroleerd  door de gynaecoloog en wordt met je besproken of en wanneer je in  aanmerking komt voor een inleiding. De gynaecoloog beoordeelt o.a. de  hoeveelheid vruchtwater door middel van echoscopisch onderzoek en er  wordt een CTG (cardiotocogram) gemaakt;, een registratie van de  harttonen van de baby. Als uit deze onderzoeken blijkt dat de conditie  van het kind achteruitgaat, kan de gynaecoloog adviseren de bevalling in  te leiden.

Langdurig gebroken vliezen
Het breken van de vliezen kan het eerste teken  zijn van het begin van de bevalling. Als de vliezen langer dan 24 uur  gebroken zijn, spreken we van langdurig gebroken vliezen. De bevalling  kan alsnog uit zichzelf op gang komen. De bevalling vindt plaats in het  ziekenhuis omdat er meer kans op een infectie bestaat. Als de vliezen  langer dan drie dagen gebroken zijn bij een voldragen zwangerschap, is  er weinig kans dat de weeën nog spontaan op gang komen. De gynaecoloog  adviseert meestal een inleiding tussen 24 uur en drie dagen na het  breken van de vliezen. Als de vliezen voor de 37e zwangerschapsweek  breken, wachten we vaak langer met een inleiding zolang er geen tekenen  van infectie zijn.

Groeivertraging van de baby
Als de verloskundige of gynaecoloog vindt dat  je baby minder goed groeit, onderzoeken we met een echo of dit inderdaad  zo is. Ook weinig vruchtwater kan duiden op een klein of te klein kind.  Regelmatige echo’s kunnen informatie geven over de verdere groei van  het kind. Zo nodig vindt ook controle van de conditie van het kind  plaats met een CTG. Bij onvoldoende groei of dreigende verslechtering  van de conditie van je kind, kan de gynaecoloog een inleiding adviseren.  

Achteruitgaan van de functie van de placenta
De baby krijgt voeding en zuurstof via de  placenta (moederkoek). Bij bijvoorbeeld een te hoge bloeddruk of  suikerziekte tijdens de zwangerschap kan de placenta minder goed gaan functioneren. Als het dan voor het kind beter lijkt om geboren te  worden, bespreekt de gynaecoloog een inleiding.

Andere redenen
Er zijn nog veel andere redenen om een  bevalling in te leiden. Deze kunnen te maken hebben met het verloop van  de vorige bevalling of met andere bijkomende problemen tijdens de  huidige zwangerschap. Twijfel je eraan of het echt nodig is de bevalling  in te leiden, bespreek dit dan met de gynaecoloog.

Wanneer is een inleiding mogelijk?

Een inleiding is pas mogelijk als de  baarmoedermond al een beetje open en verweekt is. Verloskundigen en  gynaecologen gebruiken hiervoor de term ‘rijpheid’. Een onrijpe  baarmoedermond is nog lang en voelt stevig aan. Dit noemt men een  ‘staande portio’ (portio is het medische woord voor baarmoedermond).  Meestal is er nog geen ontsluiting. Een rijpe baarmoedermond is over het  algemeen korter. Men spreekt dan over een ‘verstreken portio’. Deze  voelt ook weker aan en vaak is er al wat ontsluiting. In dat geval is  het mogelijk een inleiding af te spreken.

Als de baarmoedermond onrijp is
Wanneer de baarmoedermond onrijp is en er toch  een dwingende reden is om de bevalling op gang te brengen, kan de  gynaecoloog adviseren de baarmoedermond ‘rijp’ te maken. In medische  termen spreekt men dan van ‘primen’ (Engels voor voorbereiden).

Methoden om de baarmoedermond rijp te maken (Primen)
In het WKZ Geboortecentrum gebruiken we drie  manieren van primen; het inbrengen van Misoprostol®,  prostaglandine gel  en de foleycatheter.  Voordat het ‘primen’ begint wordt altijd eerst de  conditie van de baby bepaald door middel van een CTG.

Misoprostol®
Misoprostol® tabletten worden maximaal 3 keer  per dag vaginaal ingebracht met tussenpozen van minimaal 4 uur. Elke  keer voor het inbrengen wordt er een CTG gemaakt om de conditie van de  baby te beoordelen. Als na 2 dagen blijkt dat deze manier niet voldoende  resultaat heeft gebracht kan overwogen worden om een andere manier van  primen te kiezen.

Prostaglandinen
Een gel inbrengen met prostaglandinen kan dan  een volgende stap zijn. In deze gel zitten hormonen die de rijpheid van  de baarmoedermond bevorderen. De gel wordt ingebracht tijdens het  vaginale toucher (onderzoek om te voelen naar de ontsluiting).  Prostaglandinen maken niet alleen de baarmoedermond rijp, maar kunnen  ook weeën veroorzaken. Vaak ontstaan er na het inbrengen harde buiken.  Dit zijn meestal nog geen weeën. We spreken pas van weeën als er  ontsluiting ontstaat. Soms gaan de harde buiken wel over in weeën en  komt de bevalling spontaan op gang, dan is verder medisch ingrijpen vaak  niet meer nodig.

Foleycatheter
Primen met een foleycatheter  is ook een  manier om de baarmoedermond rijp te maken. Er wordt een foleycatheter  (katheterslang met een ballon dat gevuld kan worden met water)in de  baarmoedermond geplaatst. De ballon wordt gevuld met 30- 50 ml water.  Het inbrengen van een foleycatheter wordt gedaan tijdens inwendig - of  speculum onderzoek.

Na het inbrengen van de Misoprostol®, de gel  of de foleycatheter controleert de verpleegkundige de conditie van je  kind met behulp van een CTG. We vragen je na het inbrengen een uur te  blijven liggen. Zeker bij een erg onrijpe baarmoedermond is het soms  nodig de behandeling te herhalen. Wanneer je u gedurende twee dagen bent  behandeld met één van  de manieren om te primen manier, kan er besloten  worden om een rustdag te plannen om daarna weer verder te gaan om de  baarmoeder verder te  laten rijpen. Bij het primen kan er bloedverlies  optreden. Dit is niet gevaarlijk voor jou of je baby.

De bevalling

Het op gang brengen van de weeën gebeurt vaak  door middel van het breken van de vliezen bij het vaginaal toucher.  Wanneer er voldoende ontsluiting is plaatst de verloskundige of  gynaecoloog een draadje op het hoofdje van je kind. Dit draadje wordt  een schedelelektrode genoemd en hiermee kan de hartslag van je kind  gemeten worden tijdens de bevalling ook wanneer de weeën sterker worden.  Voor het breken van de vliezen brengt de verloskundige of gynaecoloog  een infuus in. Bij het prikken van een infuus wordt een ader in hand of  arm aangeprikt waarbij een dun soepel buisje wordt geplaatst, de naald  wordt verwijderd en het soepele buisje blijft achter. Via een infuus kan  vocht en medicatie worden toegediend. Via een infuuspomp krijg je het  hormoon oxytocine om de weeën op gang te brengen. De dosering gaat  stapsgewijs omhoog. Geleidelijk beginnen dan de weeën.

Controle van het kind en van de weeën
Tijdens een inleiding wordt je kind continue  gecontroleerd door middel van een CTG (Cardio Toco Grafie, de hartslag  en de weeën worden geregistreerd). Een CTG registeren kan uitwendig, via  twee elastieken banden en een geluidselektrode op de buik. Voorkeur in  het WKZ Geboortecentrum gaat uit naar inwendige registratie met een  schedelelektrode omdat je tijdens de weeën dan niet wordt gehinderd door  elastiek om je buik en de registratie van de harttonen ook tijdens  hevige weeën goed blijft gaan. Naast een schedelelektrode kan de  verloskundige of gynaecoloog een drukkatheter in de baarmoeder inbrengen  om de sterkte van de weeën te meten. Dit is een dun slangetje wat  tussen de wand van uw baarmoeder en de baby wordt geschoven. Dit wordt  gedaan tijdens een vaginaal toucher. Veelal laat de  verloskundige/gynaecoloog dit achterwege of registreert men de weeën met  een band om de buik.

Hoe gaat de bevalling verder?
Na het starten van de inleiding is het verloop  in principe hetzelfde als bij een ‘normale’ bevalling. De weeën worden langzamerhand heviger en pijnlijker. 

Over het algemeen heb je de vrijheid om de  weeën op je eigen manier op te vangen: zittend in een stoel, staand naast het bed, of liggend of zittend in bed. 

De uitdrijving (het persen) en de geboorte van  het kind en de moederkoek gaan niet anders dan bij een ‘normale’  bevalling. Hoelang de bevalling gaat duren is moeilijk te voorspellen.  Naarmate de baarmoedermond rijper is, gaat de ontsluiting vaak sneller.  Ook gaat de bevalling van een tweede of volgend kind meestal spoediger dan die van een eerste.

Zijn de ontsluitingsweeën te pijnlijk, dan kun  je om pijnstilling vragen. Tussen de het moment van je verzoek om pijnstilling en het daadwerkelijk baat hebben van de pijnstilling duurt  vaak wel een uur. Bespreek daarom op tijd je verzoek om pijnstilling met  je verloskundige of gynaecoloog. Zij kunnen je vaak ook belangrijke  adviezen geven om de weeën weer op te vangen of over de  pijnstilling.

Na de bevalling

Na de geboorte kijkt de gynaecoloog of  verloskundige je kind na. Als daar een reden voor is, doet de kinderarts  dit. Meestal kun je binnen 24 uur weer naar huis. Vaak is dit de  volgende ochtend om 10:00 uur. Soms adviseren we om langer te blijven,  zoals bij langdurig gebroken vliezen of bij suikerziekte. Jij en/of je  kind wordt dan nog één of enkele dagen in het ziekenhuis geobserveerd.  Wanneer je kind wordt opgenomen op de afdeling neonatologie  mag je 24  uur per dag je kind bezoeken in overleg met de neonatologie  verpleegkundige.   Je mag, wanneer je kind is opgenomen is, zelf nog  twee dagen na de bevalling in het ziekenhuis blijven . Dit is een  richtlijn van het WKZ Geboortecentrum. Het is verstandig om contact op  te nemen met je ziektekostenverzekeraar of deze kosten ook daadwerkelijk  door de verzekeraar vergoed worden.

Wie zijn er bij de bevalling?

Omdat er een medische reden bestaat om de  bevalling in te leiden, krijg je een medische indicatie om in het  ziekenhuis te bevallen. Over het algemeen begeleidt de arts-assistent in  opleiding tot gynaecoloog de bevalling of een medisch verloskundige. Op  het verloscentrum heeft een gynaecoloog de eindverantwoordelijkheid en  zal zonodig bij je bevalling geroepen worden door de arts- assistent of  medisch verloskundige. In het UMC Utrecht zijn er naast verpleegkundigen  ook leerling-verpleegkundigen, kraamverzorgenden of co-assistenten  (medische studenten) aanwezig. Deze zullen op de dag van de bevalling  aan je voorgesteld worden.

Risico’s en complicaties
Bij elke bevalling kunnen complicaties  optreden, of de bevalling nu wordt ingeleid of niet. We bespreken hier  een aantal complicaties die met een inleiding kunnen samenhangen.

  • langdurige bevalling: Als er begonnen wordt  met de inleiding terwijl de baarmoedermond nog niet goed rijp is,  bestaat er een grotere kans op een (zeer) langdurige bevalling. Soms  wordt er dan geen volledige ontsluiting bereikt en is een keizersnede  noodzakelijk.
  • hyperstimulatie: hierbij komen er te veel  weeën te snel achter elkaar. Als dit lang duurt kan zuurstofgebrek bij  de baby optreden. Meestal is het mogelijk hyperstimulatie te verhelpen  door de stand van de infuuspomp te verlagen. Soms is een weeën-remmend  medicijn noodzakelijk. Daardoor keren de weeën weer met normale pauzes  terug.
  • ‘sneuvelen’ van het infuus: vrouwen vinden  het vaak vervelend als er opnieuw een naaldje in de hand of in de arm  ingebracht moet worden.
  • infectie van de baarmoeder: Als de vliezen  gedurende lange tijd gebroken zijn, is er een iets groter risico op een  infectie van de baarmoeder tijdens en na de bevalling.
  • ontsteking op het hoofd van het kind: bij een  inleiding wordt er een draadje in de hoofdhuid van de baby geplaatst om  de harttonen te registreren (schedel-elektrode). Een enkele keer  ontstaat een ontsteking op de plaats waar de elektrode is geplaatst. Dit  is niet ernstig, maar wel vervelend voor je kindje.
  • verhoogd risico op een kunstverlossing? De  meeste inleidingen verlopen zonder complicaties en de risico’s van een  ingeleide bevalling zijn meestal niet groter dan die van een normale  bevalling. Wel is het noodzakelijk dat een inleiding onder goede controle en begeleiding plaatsvindt.

Tot slot een opmerking over de veelgehoorde  opvatting dat een ingeleide bevalling pijnlijker zou zijn dan een  normale bevalling. Dit is moeilijk te bewijzen, omdat geen twee  bevallingen hetzelfde zijn.

Bij elke bevalling kunnen complicaties  optreden, of de bevalling nu wordt ingeleid of niet. We bespreken hier  een aantal complicaties die met een inleiding kunnen samenhangen. 

Nuttige informatie en adressen
Heb je nog vragen naar aanleiding van deze  folder dan kun je contact opnemen met de verpleegkundigen van het  verpleegkundig -spreekuur, telefoonnummer 088 75 544 34 of met je  verloskundige/gynaecoloog. Zij zijn bereikbaar tijdens kantoortijden via  de polikliniek op telefoonnummer 088 75 540 10 of buiten kantoortijden  via het verloscentrum op telefoonnummer 088 75 589 10.  


Over ons

'De beste zorg voor nu en in de toekomst'



Omdat ieder mens de beste zorg verdient, legt het UMC Utrecht de lat voortdurend hoog. Het resultaat: vernieuwende, toonaangevende behandelingen die beantwoorden aan de zorgbehoeften van nu en de toekomst. De bijzondere kennis die hiervoor nodig is, ontwikkelen we samen met patiënten(organisaties) en diverse partners. In teamverband werken we aan oplossingen voor grote, medische vraagstukken. Per individuele patiënt wordt gekeken welke behandeling bij hem of haar past. Alles wat wij doen, is erop gericht om mensen gezond te maken en te houden. En waar mogelijk ziekte te voorkomen.

Contact

U kunt algemene informatie opvragen over
het UMC Utrecht via:

E-mail info@umcutrecht.nl of via
Telefoonnummer 088 75 555 55
Website www.umcutrecht.nl

of vul het contactformulier hieronder in:
Vul je naam in
Vul een correct e-mailadres in
Vul een opmerking in
Bedankt, je bericht is verzonden.
Er ging iets mis met het verzenden van het formulier. Probeer het opnieuw.

Zoeken

Zoek via een zoekterm naar een pagina binnen deze publicatie.
Vul minimaal 3 karakters in.

UMC Utrecht

Bekijk hier alle publicaties die over en door het UMC Utrecht gemaakt zijn.

P&O magazine voor medewerkers
Beleidsplannen Psychiatrie 2021
Over Epilepsiechirurgie
Slaapproblemen
Het UMC Utrecht in 2019
Overview Infection & Immunity 2019
FAG_PAG
Jaaroverzicht Genetica 2019
Zwanger van een (te) kleine baby
Voeding voor uw baby
Telebaby
Borstvoeding
Open ductus Botalli
Neonatale convulsies
Necrotiserende enterocolitis (NEC)
Idiopathic respiratory distress syndrome
Bronchopulmonale dysplasie
Fototherapie
Vaginale kunstverlossing
Zwangerschap & Bevalling
Sterilisatie
SSRI medicatie tijdens en na de zwangerschap
Opname op afdeling verloskunde
Keizersnede
Inleiding van de bevalling
Tweeling-zwangerschap en andere meerlingen
Serotien, zwangerschap van meer dan 40 weken
Flesvoeding
Hoge bloeddruk, pre-eclampsie en HELLP syndroom tijdens en na de zwangerschap
Totaalruptuur
Gebroken vliezen tijdens de zwangerschap
Voeding voor de zwangere
Pijnbestrijding tijdens de bevalling
Wanneer contact opnemen en wat neem je mee voor de bevalling
Testen op HIV
Groep-B streptokok in de zwangerschap
Zwangerschapscholestase
Rechten in de zorg
Het maatschappelijk werk van het WKZ geboortecentrum
Premature weeën en premature geboorte
Stuitligging en versie
Zwanger en diabetes
Schildklierafwijkingen in de zwangerschap
Anesthesie bij een keizersnede
Bloedverlies tijdens een gevorderde zwangerschap
De baby voelen bewegen tijdens de zwangerschap
Bekkenpijn en bekkeninstabiliteit tijdens de zwangerschap
Beleidsplan Psychiatrie 2020
Weer thuis na de bevalling
Myomen (tijdens de zwangerschap)
Bloedgroep, rhesusfactor en irregulaire antistoffen
Kliniek A2 jeugd
Rigiditeit
Kliniek A3: Diagnostiek en psychose
Ruggenprik en toediening medicijnen
Perfectionisme
Duurzaamheid ervaringsverhalen
Jaarbeeld Urologie 2018
Diagnosedag in het Spieren voor Spieren kindercentrum
Samenwerkingen, juli 2019
Zorglijn A2 Acuut en Intensief Volwassenen
Het UMC Utrecht in 2018
Hersenbloeding bij een pasgeborene
Jaarbeeld 2018, Julius Centrum
Zwanger en een hoge body-mass index (BMI)
Research Code
Verpleegkundige kwaliteitsindicatoren
Over epilepsiechirurgie
Autisme
Beleidsplan Psychiatrie 2019
ODD en CD bij kinderen
Zorg en revalidatie na een Hersenbloeding
Vaktherapie
ADHD en Autisme Spectrum Stoornis in het onderwijs
Klinische behandeling bij ontwikkelingsstoornissen
Zorg bij traumatisch hoofd- en of hersenletsel
Medicatie bij ADHD
ADHD
Een hersentumor: onderzoek, opname, operatie en uitslag
Stemmen horen
Zorg en herstel bij een operatie aan de wervelkolom
Fysiotherapeutische adviezen bij een operatie aan de onderrug
Verpleegafdeling Affectieve en psychotische stoornissen
Fysiotherapeutische adviezen bij een operatie aan nek
Zorg en revalidatie na een herseninfarct
Polikliniek afdeling Psychiatrie
Dagdiagnostiek polikliniek Neuromusculaire Ziekten
Stemmen horen Jeugd
Elektroconvulsietherapie
Richtlijn Suïcide-preventie
Kwaliteitsstatuut afdeling Psychiatrie
Polikliniek Ontwikkelingsstoornissen
Zorgprogramma Prikkelverwerking
Meedoen aan onderzoek op de afdeling psychiatrie
Eendagsdiagnostiek
Banquetinggids 2020
Jaarbeeld Genetica 2018
Jaarbeeld OR 2017
Jaarbeeld Urologie 2017
Jaarbeeld Hart & Longen 2017
Jaarbeeld Vrouw & Baby 2015-2017
Het UMC Utrecht in 2017
Jaarbeeld Julius Centrum 2017
IT Board 2017
Jaarbeeld Genetica 2017
Jaarbeeld Urologie 2016
Jaarbeeld Cancer Center 2017
Innovatie in uitvoering
2016 in beeld, UMC Utrecht